Artikelindex

 

Dwarsliggerwagen 29045

(door: Hans Nahon)

Het meeste materieel van spoorwegondernemingen wordt gebruikt voor commercieel vervoer van personen en goederen. Een kleiner deel van het materieel wordt gebruikt voor eigen transporten, zoals de bevoorrading van werkplaatsen, het vervoeren van bovenbouwmaterialen, etc. Deze categorie materieel wordt aangeduid als werk- of dienstmaterieel.

De dwarsliggerwagen in het ‘oude’ museum op 19 juli 1981. (Foto: Hans Nahon)Vóór de grote reorganisaties bij NS in de jaren ’90 van de vorige eeuw was het dienstwagenpark omvangrijk. Alleen al voor het vervoer van grind stonden meer dan 1000 wagens in de boeken. Bij de voorlopers van NS was dat anders. Voor dienstvervoer werd gebruik gemaakt van 'gewone' goederenwagens die voor die dienstvervoeren werden vrijgemaakt. Dwarsliggers werden in dit soort wagens vervoerd, of in 'gewone' open wagens die in die tijd in het algemeen veel lager waren dan tegenwoordig. De enkele wagens die voor dienstvervoer werden gereserveerd kregen na een vaak lang spoorleven  het opschrift 'UITSLUITEND TEN DIENSTE VAN' met daarachter de naam en plaats van de gebruikende instantie. Toen de HSM in 1908 40 wagens voor dwarsliggervervoer liet bouwen en deze vanaf de nieuwbouw reserveerde als dienstwagens, was dat heel bijzonder.

Aanleiding

In 1908 verplaatste de HSM haar 'houtbereidingsinrichting' – de HBI, zoals de fabriek voor houten dwarsliggers in het algemeen werd genoemd – van Amsterdam Rietlanden naar Crailoo, gelegen langs de HSM-lijn Hilversum – Bussum. Aan deze verhuizing was een grondige berekening vooraf gegaan. Daar was uitgekomen dat bij het gehele bereidingsproces de dwarsliggers haaks op het spoor moesten liggen, ze een kwartslag draaien zorgde door het grote aantal toch voor een grote kostenpost. Daarom wilde men de dwarsliggers al bij aankomst in Crailoo in de goede stand hebben. De ruwe dwarsliggers kwamen per boot naar Nederland en per spoor naar de HBI. Door de nieuwe liggers dwars in de wagens  te laden werd het latere bereidingsproces goedkoper.

De meeste dwarsliggers zijn ongeveer 2,70 meter lang en daarvoor was de breedte van de meeste open wagens niet voldoende. Daarom bestelde de HSM de 40 extra brede wagens. En vanwege die speciale eigenschap werden ze vanaf het begin gereserveerd voor het dienstwagenpark.

Bij het vervoer naar hun uiteindelijke bestemming speelde de dwarsstand op de wagens geen rol van betekenis. Sterker nog: bij het lossen ervan was de 'oude' methode meestal veel sneller. Het vervoer van liggers naar de bouwplaatsen bleef dan ook op de oude manier gebeuren. De nieuwe wagens waren bedoeld voor de bevoorrading van Crailoo, vrijwel altijd vanaf de haven in de Rietlanden.

De wagen in Het ‘nieuwe’ museum op 29 augustus 2012  (Foto Spoorwegmuseum)  De wagens

Voor de genoemde bevoorrading werden bij Werkspoor in Amsterdam 40 wagens aangeschaft met een laadvermogen van 20 ton en een capaciteit van ca. 200 dwarsliggers. Hun speciale status werd nog geaccentueerd door de wagens lichtgrijs te schilderen. Een dwarsliggertrein uit de haven bestond uit 30 wagens, dus 6000 dwarsliggers. Gezien  de  overslagcapaciteit van ca. 8000 dwarsliggers bleven er andere wagens nodig. Bovendien waren alle brede wagens onberemd. Daarom werden in 1911 in de eigen werkplaats in Haarlem nogmaals 5 wagens van vrijwel gelijk ontwerp gebouwd. Deze wagens kregen een schroefrem met het daarbij behorende bordes met remhuis. Zij waren ruim 3 ton zwaarder dan de onberemde wagens. Met hun 20 ton lading werden ze zo zwaar, dat ze op 3 assen werden geplaatst. In 1912 bouwde Haarlem nogmaals 5 gelijke wagens. Het depot van de onberemde wagens wijzigde in 1926 van Crailoo in Dordrecht, later volgden ook de beremde wagens. In 1936 werd de gehele dwarsliggerbereiding geconcentreerd in de voormalige houtbereidingsinrichting van de Staatsspoorwegen in Dordrecht. Hiermee was het nut van de in de breedte beladen wagens verdwenen en werden ze nog uitsluitend in de lengte beladen. Behalve zeven in de oorlog verdwenen exemplaren werden de oude HSM-wagens midden jaren ’60 uit het wagenpark afgevoerd. Hun plaats werd ingenomen door moderner materieel met rollagers, dat beter was ingericht op de toen gebruikelijke laad- en losmogelijkheden.

Wagen 29045

De 40 twee-assige wagens hadden bij de HSM de nummers 29001 – 29040. De Haarlemse wagens werden aansluitend daaraan genummerd. De huidige museumwagen met nummer 29045 behoort dus tot het eerste Haarlemse vijftal en kwam in 1911 in dienst. Kort na de vorming van het NS-wagenpark werd de gehele serie aan de NS-standaarden aangepast. Dat betekende dat de oorspronkelijke gesmede balansen ('toogbalansen') werden vervangen door plaatbalansen, dat de HSM-draagpotten werden vervangen door de standaarddraagpotten van NS en dat de originele buffers werden vervangen door de bij NS standaard gebruikt korfbuffers. Vanaf 1933 werden op alle dienstwagens doorgaande luchtleidingen aangebracht. Vanaf midden 1934 behoorden wagens zonder remleiding tot de uitzonderingen en werden goederentreinen niet meer door remmers in hun remhuizen geremd. Daardoor werden de schroefremmen overbodig en werden deze, inclusief de remhuizen, vanaf 1936 bij vrijwel al het materieel afgenomen. De laatste drie-assige wagens van dit type verdwenen in 1966 van het spoor.

De mooi gerestaureerde dwarsliggerwagen, op weg naar het Spoorwegmuseum in Utrecht op 17 februari 1979  (Foto J.A.Bonthuis; archief NVBS Railverzamelingen)Museumwagen

Ook de 29045, die al ruim 40 jaren met NS-nummer 174545 reed, verdween uit het materieelpark. Omdat men toen al vond dat dit een zeer karakteristieke wagen was, werd deze gereserveerd voor het Spoorwegmuseum. Het duurde nog ruim 10 jaar voordat aan de restauratie van deze wagen werd begonnen. Vooral door toedoen van spoorweghistoricus Karskens waren intussen vele belangrijke wagenonderdelen verzameld om de wagen in zijn oorspronkelijke staat terug te kunnen brengen. Een aantal van die onderdelen is zelfs ouder dan de wagen zelf! Nieuw was uiteraard al het houtwerk, inclusief het remmershuis dat naar de originele tekeningen werd herbouwd. De gerestaureerde wagen kreeg als revisiedatum 27.12.1978.

Opknapbeurt

Als museumwagen heeft de 29045 er nu meer dan 35 jaar opzitten. En omdat “rust roest” is dat aan de toestand van de wagen te merken: de wagen is toe aan een algehele opknapbeurt. Gelukkig zijn alle bijzonder onderdelen en constructies nog steeds aanwezig. Met dank aan enkele enthousiaste mensen die bijna 50 jaar geleden al vonden dat van dit soort karakteristieke wagens voorbeelden bewaard moeten blijven.

Hits: 1224